De voortplanting en ontwikkeling van eenden begint meestal in het voorjaar. In deze periode zoeken mannetjes en vrouwtjes een partner en bereiden zij zich voor op het broedseizoen. Het vrouwtje bouwt een nest op een beschutte plek, vaak tussen hoog gras, struiken of riet in de buurt van water. Hier legt zij meestal tussen de 8 en 12 eieren, die ongeveer 26 tot 30 dagen worden bebroed. Tijdens deze periode zorgt het vrouwtje voor de eieren, terwijl het mannetje vaak in de omgeving blijft.
Wanneer de eieren uitkomen, zijn de jonge eendjes al bedekt met donsveren en kunnen ze vrijwel direct lopen, zwemmen en zelf voedsel zoeken. Toch blijven ze de eerste weken afhankelijk van hun moeder, die hen beschermt tegen gevaar en naar geschikte voedselplekken leidt. De kuikens groeien snel en ontwikkelen geleidelijk hun volwassen verenkleed. Na ongeveer zes tot acht weken zijn de vleugels voldoende ontwikkeld om te kunnen vliegen.
Na enkele maanden zijn jonge eenden zelfstandig en kunnen zij voor zichzelf zorgen. De meeste eendensoorten zijn na ongeveer één jaar geslachtsrijp en kunnen dan zelf deelnemen aan de voortplanting. Zo begint de levenscyclus opnieuw en zorgen eenden ervoor dat hun soort behouden blijft.